niveautest Schakel JavaScript in je browser in om dit formulier in te vullen.Naam *VoornaamAchternaamE-mail *TelefoonONDERDELEN De 5 onderdelen van deze niveautest: Onderdeel A: 15 vragen over woordenschat Onderdeel B: 15 vragen over werkwoordspelling Onderdeel C: 15 vragen over spelling algemeen Onderdeel D: 15 vragen over tekstbegrip Onderdeel E: 15 vragen over grammatica INSTRUCTIE Maak de vragen zo goed mogelijk, antwoorden niet afkijken of opzoeken Denk niet te lang na bij elke vraag Begrijp je een vraag niet? Laat deze dan open. Ben je helemaal klaar? Klik dan op ‘verstuur’ DEEL A 15 vragen over woordenschat vraag A1 – A15 Vraag A1. 'De regering wil meer tijd uittrekken voor innovatie'. Wat betekent het woord INNOVATIE? *A. Kunst en cultuurB. Het opknappen van oude wijkenC. Technische en industriële vernieuwingVraag A2. 'Die gebeurtenis is een obsessie voor haar'. Wat betekent het woord OBSESSIE? *A. Iets wat heel verrassend isB. Iets wat je niet uit je hoofd kunt zettenC. Iets waarover je moet nadenkenVraag A3. 'Dat is een suggestieve vraag'. Wat betekent het woord SUGGESTIEVE? *A. Een vraag die als een mededeling bedoeld isB. Een vraag die niet te beantwoorden isC. Een vraag waarbij het antwoord al bijna gezegd wordtVraag A4. ‘De klacht wordt geseponeerd’. Wat betekent het woord GESEPONEERD? *A. In behandeling genomenB. Ter zijde gelegdC. Niet vergetenVraag A5. ‘Je moet niet teveel pretenties hebben’. Wat betekent het woord PRETENTIES? *A. Veel hooi op je vork nemenB. Alles op zijn beloop latenC. Erg overtuigd zijn van jezelfVraag A6. ‘Ik wil wel een restrictie maken’. Wat betekent het woord RESTRICTIE? *A. VoorbehoudB. VerslagC. ContractVraag A7. ‘Kunt u mij resistutie geven?’. Wat betekent het woord RESTITUTIE? *A. Het geld terug gevenB. Een voorschot betalenC. Een lening gevenVraag A8. ‘We kunnen op represailles rekenen’. Wat betekent het woord REPRESAILLES? *A. Vervelende vragenB. Alle mogelijke steunC. VergeldingsmaatregelenVraag A9. ‘Een tijdje rustig aan doen kan heel heilzaam zijn’. Wat betekent het woord HEILZAAM? *A. DeprimerendB. OntmoedigendC. Goed voor de gezondheidVraag A10. Welk begrip past bij een land zonder regering, leiding of bestuur? *A. AnarchieB. BureaucratieC. OligarchieVraag A11. ‘Dat is niet heel erg subtiel van jou’. Wat betekent het woord SUBTIEL? *A. FijngevoeligB. SlimC. DoortastendVraag A12. ‘Zijn blik was nogal hautain’. Wat betekent het woord HAUTAIN? *A. GeïrriteerdB. HooghartigC. OntevredenVraag A13. ‘Het bedrijf stelde zich heel coulant op’. Wat betekent het woord COULANT? *A. AsociaalB. TerughoudendC. WelwillendVraag A14. Dat is één van de kardinale punten’. Wat betekent het woord KARDINALE’? *A. Nog uit te zoekenB. LastigeC. BelangrijksteVraag A15. ‘Als je de krant leest, merk je dat het komkommertijd is’. Wat betekent het woord KOMKOMMERTIJD? *A. LenteB. Periode met weinig nieuwsC. VerkiezingstijdDEEL B 15 vragen over werkwoordspelling vraag B1 – B15 Vraag B1. “Het ………. je vanzelf wel duidelijk” zei de directeur tegen mij. *A. wordB. wortC. wordtVraag B2. ‘De minister ………. vorig kwartaal nog dat alle leek mee te vallen.’ *A. meldeB. melddeVraag B3. ‘Hoeveel het allemaal moet ………. is nog niet bekend.’ *A. kostenB. kosttenVraag B4. ‘In de afgelopen maand is de schuld helaas sterk ………. ‘ *A. gegroeidB. gegroeitC. gegroeidtVraag B5. ‘Sommige politici ………. al enige tijd dat er het een en ander niet klopte.’ *A. wistenB. wisttenVraag B6. ‘Het stimuleren van de economie ………. zich in een hoger financieringstekort. *A. vertaaldB. vertaaltC. vertaaldtVraag B7. ‘De ministers wilden gisteren ………. op de bekendmaking van de nieuwe cijfers.’ *A. wachtenB. wachttenVraag B8. ‘Het ………. nu!’ *A. gebeurtB. gebeurdC. gebeurdtVraag B9. ‘Ik voelde me al snel thuis, omdat enkele collega’s mij heel goed ……..…’ *A. begeleidenB. begeleiddenVraag B10. ‘Je hebt hem toch gezegd dat je het niet doet, omdat je zijn collega niet ………. ‘ *A. vertrouwdB. vertrouwtC. vertrouwdtVraag B11. ‘Als je het al ………. hebt, dan moet je het wel doen!’ *A. belooftB. beloofdC. beloofdtVraag B12. 'Wij kregen de rekening van de ………. werkzaamheden.' *A. verrichteB. verrichtteVraag B13. ‘Zodra de actie ………… was, viel de verkoop stil.’ *A. beeïndigdtB. beeïndigdC. beeïndigtVraag B14. ‘Je tekent geen overeenkomst, maar je ………. je natuurlijk wel aan de afspraken.’ *A. houdB. houtC. houdtVraag B15. ‘Toen de discussie te heftig werd, ………… de begeleiders te lang met ingrijpen.’ *A. wachtenB. wachttenDEEL C 15 vragen over speling algemeen vraag C1 – C15 Vraag C1. Wat is het goede antwoord: *A. De professionele instellingB. De proffessionele instellingVraag C2. Wat is het goede antwoord? *A. De chaufeurB. De chauffeurVraag C3. Wat is het goede antwoord? *A. De officiele openingB. De officiële openingVraag C4. Wat is het goede antwoord? *A. Het interessante programmaB. Het interesante programmaC. Het interressante programmaVraag C5. Wat is het goede antwoord? *A. De advertentie staat boven aanB. De advertentie staat bovenaanVraag C6. Wat is het goede antwoord? *A. faceliftB. face-liftC. face liftVraag C7. Wat is het goede antwoord? *A. Het sms-jeB. Het sms’jeC. Het smsjeVraag C8. Wat is het goede antwoord? *A. ZuidwestenB. zuidwestenC. ZuidWestenVraag C9. Wat is het goede antwoord? *A. Product-analysesB. Productanalyse’sC. Product-analyse’sD. ProductanalysesVraag C10. Wat is het goede antwoord? *A. Veel pijn leidenB. Veel pijn lijdenVraag C11. Wat is het goede antwoord? *A. Ergens continu mee bezig zijnB. Ergens continue mee bezig zijnVraag C12. Wat is het goede antwoord? *A. kritiek hebbenB. critiek hebbenVraag C13. Wat is het goede antwoord? *A. de contractB. het contractVraag C14. Wat is het goede antwoord? *A. De clientB. De cliëntC. De clieëntVraag C15. Wat is het goede antwoord? *A. De fles MoezelwijnB. De fles Moezel wijnC. De fles moezelwijnDEEL D 15 vragen over tekstbegrip vraag D1 – D15 Vraag D1. ‘Iets op zijn lever hebben.’ Wat is de betekenis? *A. Iets gepresteerd hebbenB. Teveel gedronken hebbenC. Ergens mee zittenVraag D2. ‘Dat is een heet hangijzer.’ Wat is de betekenis? *A. Een gevaarlijke situatieB. Een lastig, veelbesproken onderwerpC. Een populair onderwerpVraag D3. ‘Het daglicht zien.’ Wat is de betekenis? *A. Vroeg opstaan, voor zonsopgangB. Bijdehand zijn, alert zijnC. Geboren wordenVraag D4. ‘Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is.’ Wat is de betekenis? *A. Iedereen doet en laat waar hij zin in heeftB. Niet iedereen zingt even mooiC. Iedereen heeft zijn eigen voorkeurenVraag D5. ‘Die reisjes naar de Caribbean zijn voor mij de krenten in de pap.’ Wat is de betekenis? *A. Iets waar ik een hekel aan hebB. Een verplichting waar ik niet onderuit komC. Het extraatje dat het aantrekkelijk maaktVraag D6. ‘Iemand muilkorven.’ Wat is de betekenis? *A. Iemand beletten iets te zeggenB. Iemand de keel dichtknijpenC. Iemand op zijn gezicht slaanVraag D7. ‘Zijn nek uitsteken.’ Wat is de juiste betekenis? *A. Proberen steeds hogerop te komenB. Laten zien wie je bentC. Iets doen waardoor je aangevallen kunt wordenVraag D8. ‘Hij is weer het zwarte schaap.’ Wat is de juiste betekenis? *A. Iemand die de schuld krijgtB. Iemand die altijd te weinig krijgtC. Iemand die het lastige klusje moet doenVraag D9. 'Dat was kort door de bocht.’ Wat is de betekenis? *A. GekkenwerkB. Een actie met als doel om iemand te benadelenC. Een veel te snelle conclusie of actieVraag D10. ‘Iemand de oren wassen.’ Wat is de betekenis? *A. Iemand volwassen laten wordenB. Iemand flink de waarheid zeggenC. Iemand voor de gek houdenVraag D11. ‘Een kanttekening plaatsen.’ Wat is de betekenis? *A. Een opmerking makenB. Een handtekening zettenC. Aan de zijkant een tekening maken voor extra uitlegVraag D12. Een “slip of the pen” Wat is de betekenis? *A. Een overdrijvingB. Een verschrijvingC. Een aanmoedigingVraag D13. ‘De kat uit de boom kijken.’ Wat is de betekenis? *A. Niet op alle kleinigheden lettenB. Eerst afwachten, daarna handelenC. Voortdurend bij iemand afkijkenD. Een nieuwe bril nodig hebbenVraag D14. ‘Hij zat daar met kromme tenen.’ Wat is de betekenis? *A. Met ingehouden woedeB. Licht geblesseerdC. Met verbazingVraag D15. ‘Hij maakt van een mug een olifant.’ Wat is de betekenis? *A. Hij kan allesB. Hij kan goochelenC. Hij overdrijft sterkD. Hij is enorm handigDEEL E 15 vragen over grammatica Vraag E1 – E15 Vraag E1. ‘Wij gaan samen naar de zee.’ Wat is de persoonsvorm in deze zin? *A. wijB. gaanC. samenD. naar de zeeVraag E2. ‘Wij gaan samen naar de zee.’ Wat is het onderwerp in deze zin? *A. wijB. gaanC. samenD. naar de zeeVraag E3. ‘Karin en Hans willen gaan trouwen.’ Wat is de persoonsvorm in deze zin? *A. KarinB. HansC. Karin en HansD. trouwenE. willenVraag E4. ‘Gisteren zijn mijn beste vriend en ik naar de film geweest.’ Wat is het onderwerp in deze zin? *A. gisterenB. zijnC. mijn beste vriend en ikD. ikE. de filmF. mijn beste vriendVraag E5. Zo kun je de persoonsvorm in een zin vinden: *A. Het is het tweede woord van de zinB. De zin vragend maken, de persoonsvorm komt dan vooraan te staan.C. De zin in meervoud zetten, de persoonsvorm komt dan vooraan te staan.D. Het is het eerste woord van een zin.Vraag E6. Voegwoorden zijn: *A. Woorden beginnend met ge-, ver- of be-B. Woorden om twee zinnen met elkaar te verbinden.C. Lettergrepen die twee worden met elkaar verbinden.D. Woorden zoals ‘zijn’, ‘hebben’ en ‘worden’.Vraag E7. Dit zijn de lidwoorden: *A. van, naar, toeB. mannelijk, vrouwelijk, onzijdigC. de, het, eenD. zijn, haar, het van niet Wat Vraag E8. Zelfstandige naamwoorden zijn: *A. namen van mensen, dieren of dingenB. woorden die aangeven dat er iets gebeurtC. het vertelt iets over een ander woordD. woorden die aangeven in welke tijd een zin staatVraag E9. Bijvoeglijke naamwoorden zijn: *A. Namen van mensen, dieren of dingenB. Woorden die aangeven dat er iets gebeurtC. Woorden die iets over een ander woord zeggenD. Woorden die aangeven in welke tijd een zin staatVraag E10. Een zwak werkwoord is: *A. Een werkwoord dat wel verandert van tegenwoordige tijd naar verleden tijd.B. Een werkwoord dat niet verandert van tegenwoordige tijd naar verleden tijd.Vraag E11. Goede voorbeelden van sterke werkwoorden zijn: *A. lopen, schrijvenB. lachen, werkenC. wandelen, liggenD. lezen, rennenVraag E12. Goede voorbeelden van aanwijzende voornaamwoorden zijn: *A. hij, zijB. die, datC. daar, dezeD. hierheen, daar naartoeVraag E13. De woordvolgorde van een normale basiszin is: *A. persoonsvorm – rest van de zin – onderwerpB. onderwerp, persoonsvorm, rest van de zinC. onderwerp – rest van de zin – persoonsvormD. persoonsvorm – onderwerp – rest van de zinVraag E14. Wat is het werkwoordelijk gezegde in deze zin? ‘Willen alle mensen gaan zitten alsjeblieft?’ *A. willen, gaan, zittenB. willen, zittenC. gaan, zittenD. willen, mensen, zittenVraag E15. In welke zin zijn de hoofdletters en leestekens correct gebruikt? *A. Tante annie vroeg: “Hoe heet jij?”B. tante Annie vroeg; ’Hoe heet jij?’C. Tante annie vroeg: ‘Hoe heet jij?’D. Tante Annie vroeg: “Hoe heet jij?”Einde van deze niveautest Jouw docent neemt contact met jou op om de uitslag te bespreken! Verzend